Een perspectief voor starters?

COV-onderwijspersoneel-starter
Werkonzekerheid en korte en/of deeltijdse opdrachten zijn nog steeds schering en inslag voor startende leerkrachten, zegt het COV, de grootste vakbond voor het basisonderwijs. De economie zwengelt aan, werkloosheidscijfers tonen een dalende trend. Maar ook volgend schooljaar zullen veel startende leerkrachten korte en al dan niet deeltijdse opdrachten aan elkaar rijgen. Het is duidelijk: als je tijdens de zomervakantie geen voltijdse job voor een heel schooljaar aangeboden kreeg, is het je lot om de rest van het schooljaar deeltijdse jobs bij elkaar te sprokkelen, afgewisseld met periodes van werkloosheid. Met een beetje geluk vind je in de herfstperiode nog een vervangingsopdracht tot op het eind van het schooljaar. Maar dat geluk is niet iedereen gegund. Onzekerheid troef dus.

Cijfers over de tewerkstelling van starters in onderwijs

Uit cijfers voor het schooljaar 2013-2014 bleek dat in het kleuter- en het lager onderwijs respectievelijk 35% en 36% van de starters over een heel schooljaar beschouwd een opdracht heeft van minder dan 1/3 van een voltijdse baan. Nog eens 30% werkt meer dan 1/3 maar minder dan 2/3. Tenslotte is er nog 33% die kan terugvallen op een opdracht die groter is dan 2/3. Vaak hebben jonge starters doorheen het schooljaar zowel opdrachten in het kleuter- als in het lager onderwijs.

Een stabiele professionele ruimte

Om jongeren warm te maken (én te houden) voor een job in het onderwijs, moeten we hen zo vlug mogelijk een stabiele professionele ruimte kunnen bieden. En daar knelt het schoentje. De langdurige werkonzekerheid en de versnipperde en onregelmatige opdrachten bieden jongeren te weinig kansen om te groeien in hun job en doen hen twijfelen om voor onderwijs te kiezen. Veel startende leraren verlaten te snel de school en kiezen meer en meer voor werk- en inkomenszekerheid buiten het onderwijs. Er zijn ook startende leerkrachten die solliciteren in onderwijs maar tegelijkertijd zijn ingeschreven bij een interimkantoor zodat ze, als ze geen interim kunnen doen in het onderwijs, toch aan de slag kunnen blijven. Op die manier zorgen ze er zelf voor dat ze sneller financieel onafhankelijk worden en de sprong naar een eigen stek kunnen wagen. Dat zijn de meest ondernemende jonge leraren. Hun hart ligt bij het onderwijs, maar hun verstand en hun zin in werken leiden hen toch wat in de richting van de privésector. Dan valt natuurlijk af te wachten wat er het beste zal meevallen: het onderwijs of toch de privésector …
Marianne Coopman, algemeen secretaris COV: “Vergeet niet dat jonge werklozen ook verplicht zijn om actief naar werk te zoeken. De VDAB zal hen daarvoor ten gepaste tijd op het matje roepen. Soms wordt zo’n startende leraar dan ook onverbloemd gevraagd om buiten de sector onderwijs te solliciteren. Leraren hebben dankzij hun brede opleiding veel competenties. Werk weigeren is geen optie meer.” Door de strengere regels over uitkeringen, moeten jonge starters vaak ook langer wachten op een volwaardige werkloosheidsuitkering. We schreven het hierboven al: meer dan 35% van de startende leraren heeft tijdens zijn eerste werkjaar een opdracht van minder dan 1/3. Dat wil zeggen minder dan 120 dagen. Als hij tussendoor niet bijkluste in de privésector, moet hij het volgende schooljaar gedurende meer dan 190 dagen aan het werk kunnen in het onderwijs om recht te hebben om een inschakelingsuitkering. Een starter heeft immers niet onmiddellijk recht op een uitkering. Eerst moet hij een periode doorlopen, de beroepsinschakelingstijd (310 dagen, zondagen niet meegeteld), tijdens welke hij geen recht heeft op uitkeringen. Tijdens de beroepsinschakelingstijd moet hij ingeschreven zijn als werkzoekende en moet hij, zoals gezegd, actief naar werk zoeken. Marianne Coopman: “Onze bezorgdheid gaat niet alleen over een mogelijk tekort aan onderwijzers in de toekomst. Ze gaat ook over de toekomst van vele jonge mensen die vandaag een zeer geaccidenteerde start hebben in onderwijs. Ze leven in financiële onzekerheid, rijgen deeltijdse en korte opdrachten aan elkaar waardoor ze vaak nog meer werkdruk en veel minder ondersteuning ervaren dan in een voltijdse job in een vaste school. Bovendien worden ze door hun engagement in onderwijs nog gestraft: ze komen veel minder snel aan het minimum aantal vereiste werkdagen om recht te hebben op een uitkering in periodes van werkloosheid.”

Er moet een oplossing komen



Laat het duidelijk zijn: we hebben deze jonge leerkrachten broodnodig. Zonder leerkrachten voor korte en langere vervangingen kunnen we niet garanderen dat elke leerling een schooljaar lang kan rekenen op een juf of meester. Maar kwaliteitsvol en duurzaam werk voor starters en jonge leerkrachten is een hardnekkig probleem in het basisonderwijs. Er moet een oplossing komen voor het precair statuut waarin ze nu werken. Er moet gezorgd worden voor meer werkzekerheid. Bovendien is het COV ervan overtuigd dat via een betere afstemming van vraag en aanbod en het poolen van opdrachten meer stabiliteit kan gecreëerd worden. Er liggen zeker ook kansen in het zoeken naar een samenspel tussen onderwijsregelgeving en de werkloosheidsregeling. Vandaag is het is maar dankzij het engagement en de vastberadenheid van deze jonge generatie afgestudeerden dat zeven op de acht jonge leerkrachten na vijf jaar in het basisonderwijs nog steeds de moed niet verloren heeft.

Marianne Coopman
Algemeen secretaris COV

Zie ook: https://cov.acv-online.be/Images/Basis-12-Actueel-korte-opdrachten-starters-tcm194-398591.pdf